Keti koti

Zoals bekend heeft JW roots in Suriname. Zijn opa was de zoon van de toenmalige hoofdcommissaris van politie van Paramaribo, Isaac Fernandes (joods-Portugese familie) en Elisabeth (Betsie) Clasina Vroom, een Creoolse vrouw. Betsie kwam van de plantage “De Guinese Vriendschap” en was de dochter van de plantage-eigenaar en een van diens slavinnen. FOTO 1 toont het gezin rond 1910. In die jaren was Betsie al de wettige tweede vrouw van Isaac.
JW’s betovergrootmoeder was dus een heuse slavin.

Met zo’n familiegeschiedenis spreekt het feest van de afschaffing van de slavernij natuurlijk extra aan. Het feest wordt elk jaar op 1 juli gevierd en het heet Keti koti. Keti = ketenen, koti komt van cut (Engels) en/of cortar (Spaans) en betekent snijden. Het verbreken van de ketenen dus.
FOTO 2
Hoewel de slavernij wereldwijd op 1 juli 1863 officieel werd afgeschaft, zou het in Suriname nog tien jaar duren voordat de slaven echt vrij waren. Plantage-eigenaren kregen namelijk van de Nederlandse overheid zo veel tijd om nieuwe werknemers te vinden of om hun bedrijf af te bouwen met financiële steun van de overheid. Tot zo lang moesten de slaven op de oude basis in dienst blijven! In elk geval hoefde in 1873 geen inwoner van Suriname meer op blote voeten door het leven en waren de ketenen definitief verbroken.

Ter gelegenheid van Keti koti steken de meeste Creoolse vrouwen zich in traditionele kledij. De kotomisi-klederdracht vindt zijn oorsprong in de 18e en 19e eeuw op de plantages, waar huisslavinnen zich kleedden met lappen en sjaals. Het kostuum bestaat uit een lange rok, een klein jasje en een kunstig gevouwen hoofddoek. Onder de rok zitten vaak diverse onderrokken en op de rug is een kussen gebonden, zodat zelfs een slanke den eruit ziet als een olifant. Een verklaring is dat de kotomisi’s (letterlijk: vrouw met rok) zich zo onaantrekkelijk mogelijk probeerden te maken om niet door hun blanke meesters te worden aangerand; en een andere verklaring is dat de echtgenotes van de plantage-eigenaren de slavinnen uit jaloezie geboden zich zo lelijk te kleden; dan zou hun man wellicht geen oog voor ze hebben.

De hoofddoek is een verhaal apart, want deze vertelt letterlijk een verhaal via patroon en de bindwijze. Op deze manier deden de slavinnen elkaar mededelingen, leverden commentaar of lieten zien dat ze boos waren. Een punt naar boven gevouwen betekent bijvoorbeeld: “Loop naar de pomp” FOTO 3; en twee punten naar boven betekent: “Lik m'n ...”

Suriname kent een multiculturele samenleving en dus viert iedereen het feest mee: Creolen, Hindoestanen, Javanen, Chinezen, inheemsen en blanken. We hebben maar één vrouw gezien die het echte kotomisi-pak droeg (het is te zien op de familiefoto want JW’s overgrootmoeder heeft het aan), maar vrijwel iedereen was prachtig uitgedost in een kleurige panji (een omslagrok die momenteel dagelijkse kleding is van de Boslandcreolen) en hoofddoek. Traditioneel met opgenaaide decoraties van stof
FOTO 4, of een beetje hip FOTO 4A, maar we zagen ook veel vrolijke Afrikaanse prints FOTO 5A.
Ook P deed mee en kreeg veel enthousiaste reacties. Alleen het knopen van de hoofddoek was niet helemaal gelukt vond één van de bloemenverkoopsters aan de Waterkant, en dat maakte ze gauw eventjes in orde. Beetje kunstig vouwen, wat spelden om de boel bij elkaar te houden en P zag er helemaal uit zoals het hoort.
FOTO 6A

Het feest was lekker swingend met overal op straat muziek en dans want dat is met name de Creolen aangeboren. En natuurlijk overal eettentjes; de hele Palmentuin stond ermee vol
FOTO 7  en ook de ouderwetse houten draaimolen in de Palmentuin zagen we eindelijk in gebruik.

Meegenieten van muziek en dans? Klik
Sfeer proeven van de ouderwetse draaimolen? Klik


 

Miep is verwend met een nieuwe startmotor, die we gelukkig reserve aan boord hadden. De oude vertoonde namelijk een steeds akeliger klinkend tandwielgeknars. Alweer een erfenisje van de algehele motorrevisie die Miep voor ons vertrek in 2004 in Den Bommel onderging. Onze zeilende collega Rob Hollander van de Torn Too, machinist/scheepswtb-er was zo aardig om de diagnose te stellen en de nieuwe startmotor voor ons te monteren. De oude startmotor zullen we laten repareren.

Ramona is haar oude zelf weer: als een echte lellebel sliert ze over het Domburgse plein en flirt met Boris, zoals we de baas van het hondenspul hebben genoemd. De tien puppies zijn uitgevlogen en we hopen maar dat ze allemaal goed terecht zijn gekomen. Hier in Suriname loeren allerlei gevaren. Vorige week stond een bericht in de krant over een straat die zojuist was geasfalteerd en daar waren Chinezen voor ingehuurd. Dat zijn namelijk de hardste werkers. Maar toen de werkzaamheden gereed waren, was er geen hond meer te vinden in de verre omtrek! Allemaal opgegeten.

Nog eventjes wat over het Surinaamse Nederlands. Surinamers zijn veel beleefder dan Nederlanders (en zelfs Belgen). Op straat zeg je geen “hallo” maar goedemorgen of goedemiddag. Kom je een bekende tegen, dan wordt bij de begroeting meteen geïnformeerd naar hoe het met je gaat. Wel gezellig natuurlijk, maar in telefoongesprekken moeten we daar nog steeds aan wennen. Wij zakelijke Nederlanders zijn gewend met de deur in huis te vallen, terwijl Surinamers een eindeloos intro nodig hebben en bovendien niet in staat zijn om een gesprek te beëindigen. 
Aanspreekvormen zijn hier in Suriname gebaseerd op de mate van respect die je voor iemand dient te hebben. Kinderen zullen ons nooit bij onze voornaam noemen, dus het is oom en tante; zoals wij in de jaren ’60 in NL gewend waren. Oudere mensen noem je meneer, ook al ken je hun voornaam en ben je met ze bevriend. Bakra’s verdienen kennelijk bijzonder respect (onbegrijpelijk restverschijnsel uit de slavenperiode), dus JW heet hier Meneer Willem, en Petra heet... Mevrouw Willem.

Vorige      Volgende