Grenada alias "Spice Isle"   Klik voor de kaart van onze eerste Caribische trip
Klik op de foto's in het filmpje om ze te vergroten; of klik op de fotobalkjes in de tekst

 

Vertrek van Tobago werd enigszins vertraagd door weer een roerprobleem; deze keer het trimroer dat zachtjes tegen de kiel bonsde. Maar dat het gebons daar vandaan kwam, ontdekten we pas na dagenlang zoeken en slapeloze nachten. Fluks onze duikspullen uit de kast gehaald (die hebben we tenslotte niet voor niets) en het trimroer vastgezet met houten wiggen. Inmiddels was het weer ook wisselvallig en met zo veel regen, dat de stranden er compleet verlaten bij lagen. Wij hebben dus ook nog maar even gewacht met de oversteek naar Grenada en ons tijdelijk verpoosd aan de W-kant van Tobago, waar de zee turquoise is en de stranden parelwit zijn, ook als het regent. Beetje snorkelen tussen de buien door en voor alle zekerheid het trimroer met nog meer wiggen vastgezet.

De pret van de zeiltrip naar Grenada (75 mijl) zat ’m in de dolfijnen en vliegende vissen. Verder was een lange dag met weinig wind en dientengevolge gevechten met zeilen die steeds omhoog en omlaag moesten. We deden 17 uur over een afstand van 75 mijl, dat is 4,4 kts gemiddeld terwijl we van Suriname met 7,7 kts naar Tobago vlogen. Inmiddels is ook het besluit genomen (door P, ze is van haar geloof gevallen!): Miep krijgt volgend jaar een rolgenua.

Aankomst op Grenada in Prickly Bay. Customs & Immigration zijn hier ondanks negatieve berichtgeving in diverse pilots wel relaxed, zodat we niet in het holst van de nacht onze bijboot hoefden op te pompen om ons ogenblikkelijk te gaan melden. Navigation fees te betalen in EC (East Caribbean dollars), die we natuurlijk niet bezaten. Toen we eindelijk een werkende pin-automaat te pakken hadden, was de omgeving van Prickly Bay compleet verkend. Mooi hoor, al die bij villa’s behorende tuinen met bloeiende bougainvilleas en oleanders, maar een dooie boel. Dus na inklaren meteen doorgegaan naar St.George’s, de bruisende hoofdstad.
Blijkt enorm aangenaam. Prima ankerplek in “The Lagoon”, een soort hurricane hole. De oude binnenstad ligt ernaast en is geformeerd rondom een natuurlijke havenkom met mooie oude pandjes; in de verte doet het denken aan Kopenhagens Nyhaven. Gezellig druk en kleurrijk met nauwe straatjes vol kleine winkeltjes, markten en veel, vooral veel mensen.
En zowat elke dag een cruiseschip. Dit type toerisme heeft een vreemd effect op zo’n eiland want de schepen leggen overdag aan en ’s avonds zijn ze weer weg en is de rust weergekeerd.

Met de prijzen valt het hier allemaal nog reuze mee, maar dat verandert naarmate we noordelijker komen. Op Tobago betaalden we nog 7 euro om een maand te mogen blijven, op Grenada is het al 18 euro. Diesel op Tobago: 18 eurocent per liter; benzine was wat duurder. Levensmiddelen zijn op Grenada iets duurder dan op Tobago en 50% duurder dan in Suriname… Maar wat een keuze! We zijn het helemaal niet meer gewend en eigenlijk is de drang naar luxe producten compleet uit ons systeem verdwenen. Na anderhalf jaar weer geroosterde paprika’s, zongedroogde tomaten op olie en zelfs Franse kaasjes... Je zou verwachten dat we de schappen meteen leeg zouden graaien, maar nee, gauw tevreden. (Mooier kan toch eigenlijk niet?!) Ook waren we na anderhalf jaar weer eens in een echte watersportwinkel. We keken onze ogen uit, ook vanwege de prijzen maar we konden duty free kopen en dat scheelde een beetje. En nog zo’n nieuwerwetse uitvinding die al een jaar lag te slapen in onze laptop en tot nu toe aan onze neus voorbij was gegaan: WiFi. Draadloos internetten vanaf de boot als parasieten op de server van de watersportwinkel aan de baai. Maar we zijn nog niet zo infantiel als onze Oostenrijkse buurman die met laptop en headset op het voordek balanceert tijdens het skypen, en toen dat niet lukte in z’n dinghy stapte om dichterbij de bron meer dekking te vinden.

De geschiedenis van Grenada in vogelvlucht: vulkanische oorsprong 30 miljoen jaar geleden; eerste bewoners waren indianen die van Zuid-Amerika naar het noorden kwamen peddelen in hun kano’s. Columbus noemde het Concepción maar het eiland deed latere Spaanse zeevaarders denken aan Andalusië en daarom gaven ze het de naam Granada. Deze naam bleef hangen toen de Britten het eiland overnamen, al werden spelling en uitspraak ver-Engelst naar de huidige vorm “Gre-NAY-da”.
Grenada heeft de bijnaam “the Spice Isle”. In 1843 werd de nootmuskaat klandestien ingevoerd vanuit Nederlands-Indië en in die dagen was nootmuskaat een kostbare smaakmaker met bovendien geneeskrachtige eigenschappen. Het eiland kreeg een enorme economische boost en tegenwoordig is Grenada wereldwijd de op 1 na grootste leverancier van deze specerij. De noot staat zelfs als embleem in de vlag.

Exportproduct #2 is toerisme en er wordt behoorlijk wat aan marketing gedaan. Toegespitst op Grenada’s #1 product dient de argeloze toerist voor het thuisfront bijvoorbeeld nootmuskaatjam mee te brengen, nootmuskaatsiroop en likeur. Ze hebben ook nootmuskaatijs maar dat is wat moeilijker meenemen. Best lekker eigenlijk.

Openbaar vervoer is hier geweldig geregeld. Minibusjes flitsen overal langs je heen onder luid getoeter en chauffeurs hangen uit hun raam met de vraag of we mee willen. Er zijn min of meer geregelde busdiensten, ongeveer net zoals de wilde bussen in Suriname, en er zijn busjes die geen vaste bestemming hebben. Bijvoorbeeld Felix, die de jachtclub als standplaats heeft, en we deden met hem een toertje: een rondrit van 5 uur.
Eerst langs schilderachtige dorpjes aan de westkust; veel bruggen, palen en ook huizen zijn vrolijk geschilderd in de kleuren van de nationale vlag.
We bezochten een “spice factory” daterend uit de 18e eeuw waar cacaobonen werden gedroogd en kaneel, kruidnagel en nootmuskaat werden verwerkt. De foelie die in de keuken wordt gebruikt is de verpulverde vorm van een soort “netje” dat rond de binnenste noot(muskaat) zit en het geeft een iets lichtere nootmuskaatsmaak af; rond de noot zit een harde notenschil en om het geheel van nootmuskaat en foelie zit een hele vrucht.
Vervolgens het binnenland in (groengroen en heel veel bloemen) en de nootmuskaatboom in het echt gezien. Er groeien er veel maar hun aantal is een schim vergeleken met de jaren voordat orkaan Ivan in 2004 het eiland half verwoestte; en Emily die het in 2005 nog eens dunnetjes overdeed. De treurige resultaten van de ramp zijn nog steeds zichtbaar in de vorm van ruďnes maar er is ook veel her- en nieuwbouw. Heel veel daken op Grenada moesten eraan geloven, zelfs dat van de katholieke kerk (de restauratie is nog steeds aan de gang). Voor herbouw van gewone huizen wordt nu uitsluitend beton gebruikt; niemand wil meer hout. Toch valt Grenada niet in het orkaangebied...???...!!!
De top van het eiland wordt gevormd door een krater met een meer op 1740ft hoogte. Lekker koel daarboven (26 graden ofzo). Nog meer afkoeling toen we tot slot een heerlijke douche namen onder een van de vele watervallen die Grenada rijk is; een fantastische rugmassage, wat een natuurgeweld en geweldig verfrissend. Het was een hartstikke leuke trip, Felix was een echte goeie gids en we hebben alledrie een gezellige dag gehad. En Grenada is met stip terechtgekomen op onze lijst van eilanden die een tweede bezoek waard zijn.

Vorige      Volgende