Southern Grenadines: Union, Palm Island, Mayreau en Tobago Cays  
Klik
voor de kaart van onze eerste Caribische trip
Klik op de foto's in het filmpje om ze te vergroten; of klik op de fotobalkjes in de tekst

  `

Zeilen tussen al die kleine eilandjes in de Carieb is een zaligheid. Bijna vlak water, lekker windje, het is weer eens heel wat anders. Het enige nadeel van de Carieb is dat je in een soort estafette zit, d.w.z. steeds uitpuzzelen waar je moet in- en uitklaren (niet noodzakelijk op het eerste of laatste eiland van een reeks dus van groot belang voor de routeplanning) en dan iedere keer de hele papierwinkel met elke keer dezelfde stomme vragen.
We zeilden van Petite Martinique terug naar Carriacou (7 mijl) om in Grenada uit te klaren. En passant herkenden we de boeventronie van een “gezochte” die achter de immigrations-balie was aangeplakt, waarna de immigrations-officer onmiddellijk ging bellen met Suriname. Vervolgens een lekker aandewinds rakje naar Union Island (weer 7 mijl), waar we ons anker in het zand lieten vallen achter een rif naast een palmenstrand om in Clifton Harbour de inklaringsprocedure weer in te gaan.
Union Island viel tegen maar we waren al gewaarschuwd. Je ligt ongeveer recht onder de airstrip met een heleboel andere boten en wie snorkelt er nou graag in andermans toilet? Het prijspeil ligt minstens 25% hoger dan op Grenada (en 2x zo hoog als in Suriname). Van een paar vissers wat verse vis gekocht en gauw gevlucht naar het volgende eiland: Palm Island, pal naast Union, ja we tikken ze allemaal af. Alweer zo’n luxe resort à la Petit St.Vincent, witte stranden en honderden palmen (de naam zegt het al). Het panorama vanaf het strand was fantastisch met al die eilanden rondom.
Film panorama vanaf Palm Island beach (1,78 Mb)

Wat betreft bijzondere ontmoetingen met andere boten is het in het gebied van The Grenadines armoe troef. Driekwart is charter (bareboat of met schipper), de meerderheid catamaran en de opvarenden hebben geen belang bij contact, tenzij ze hulp nodig hebben omdat ze iets doms hebben gedaan. Dit intensieve toerisme verpest helaas de markt. Een te koop aangeboden red snapper moest in eerste instantie 20 euro kosten! P vroeg hoeveel die vis dan wel woog. “Twee kilo”, zei de visser zonder blikken of blozen en dat de prijs 4 euro per pond is. Huh??? Vis op onze keukenweegschaal gelegd (de visser zette grote ogen op) en jawel: nog net geen kilo. Gelukkig zagen de jongens in het visbootje de humor ervan in.

Miep is een bijzondere verschijning tussen al dat “The Moorings”- en “Sunsail”geweld van catamarans als kastelen en witte plastic tobbes. Over abjecte boten gesproken, we beginnen hier ook al monster cruiseschepen tegen te komen van 1000 passagiers en meer.

De patiënten (zo noemen we ze) worden overdag per 50-persoons shuttle van het cruiseschip geplukt en overgeheveld op feestcatamarans, die dan rondjes draaien om bezienswaardigheden zoals Miep. Op zich is het natuurlijk wel een leuke manier om de eilandjes te bekijken in deze ondiepe wateren, want dat cruiseschip kan echt niet overal komen.
We zagen niet alleen monster cruiseschepen, maar ook een monsterjacht van 114 meter lang. “Le Grand Bleu” is 1 van de 5 grootste motorjachten ter wereld. Op het achterdek stonden een helicopter, een 50-voets motorjacht en een zeiljacht van 60 voet te oordelen naar het aantal zalingen (4 stel). Je zal maar in zo’n vrachtschip moeten rondvaren.

Palm Island was niet zo’n beste ankerplaats (onbeschut en 12m diep) dus we gingen al gauw verder naar het iets grotere maar nog steeds kleine Mayreau. Eindelijk weer een beetje rust, want de meute ligt op de Tobago Cays. Mayreau wordt in de pilot een “one road two cars island” genoemd en dat is een perfecte omschrijving.
Twee cruiseschepen kwamen Miep ’s morgens al vroeg gezelschap houden in Saline Bay dus we gingen snel de wal op voordat de horde werd gelanceerd. De ondernemers zitten dan al voor hun smaakvol beschilderde restaurantjes plus en souvenirshops te wachten tot het eiland tot leven komt, en dat is zodra de patiënten van de cruiseschepen zijn losgelaten. Roze en vet slepen ze zich om een uurtje of 11 puffend de berg op, het is mensonterend en de dorpelingen denken er natuurlijk het hunne van. Maar toerisme is hun enige bron van inkomsten dus ze zijn uiterst vriendelijk. Er is een snoezig katholiek kerkje waarvan de ramen aan de achterkant om onduidelijke reden zijn dichtgemetseld. Het is niet lelijk want ze zijn voorzien van muurschilderingen, o.a. een overzicht van de eilanden van Grenada tot St.Vincent. P heeft er de gezeilde route (geel) en de nog te zeilen route (groen) digitaal in getekend.

De enige weg op Mayreau leidt van Saline Bay naar Salt Whistle Bay, waar we twee dagen later (we blijven overal vreselijk plakken) ons anker lieten vallen. Je hebt het gevoel mee te doen aan een soort stoelendans om er een plek te krijgen, want de baai is zo klein dat er maar tien boten in passen (en catamarans tellen voor twee). Bovendien is het een van de highlights van de Grenadines en doel van veel charterboten. Die zijn meestal zo verstandig een mooring op te pikken omdat ze niet kunnen ankeren, maar onze Duitse voorbuurman had het toch geprobeerd. Met twee ankers maar liefst en wel acht meter ketting!!

Die ankers waren natuurlijk niet ingegraven en de ketting was veel te kort zodat het zaakje ging krabben toen de opvarenden op de wal waren. Terwijl JW Miep behoedde voor een mogelijke aanvaring, pleegde P snelle actie samen met Boris van de Misty Moon om de boot opnieuw voor anker te leggen. Bij terugkeer bleken de Duitsers buitengewoon geestige lui (zo zie je maar) en hadden we nog een leuke avond met z’n allen.

Met Boris (what’s in a name) hebben we een aantal dagen opgetrokken. Gezamenlijk eten, snorkelen bij Mayreau en naar de Tobago Cays (spreek uit zoals het Engelse “keys”). De Cays zijn een toeristische “must”, bestaande uit vijf petieterig kleine eilandjes omgeven door uitgestrekte riffen. Inclusief Mayreau omvat het natuurreservaat een gebied van ca 5x5 mijl. In 1998 is het verklaard tot nationaal park en we werden direct overvallen door de rangers die 3 euro pp per dag innen voor de instandhouding van het natuurpark. Boatboys varen met grote snelheid rond en verkopen van alles voor veel te veel geld: T-shirts, kettinkjes en armbanden, stokbrood (3 euro), water (20 euro voor 12 liter), vis, kreeft en compleet georganiseerde bbq’s on the beach. Ze concentreren zich op charterboten en ons keuren ze ongeveer geen blik waardig; ze kennen hun pappenheimers. Arnie en Andrea, de onfortuinlijk ankerende Duitsers uit Mayreau, kwamen meteen aangestoven en namen ons mee in hun bij een 42-voets charterboot standaard behorende 8-persoons dinghy met 15 PK buitenboordmotor om te gaan snorkelen op Horseshoe Reef. Dat kwam goed uit want ons buitenboordmotortje vertoont enige kuren. Het rif is levendig met veel koraal, veel soorten vis en zeeschildpadden en met name aan de buitenkant van het rif veel scholen kleine en grote vissen; maar ook veel stroming. Als niets vermoedende snorkelaar moet je goed oppassen dat je niet wordt overvaren door zo’n buzzing boatboy of charterboatdinghy. De Tobago Cays gaven ons een beetje een Kaag-gevoel; te druk (zelfs nu in het laagseizoen) en de riffen overrated, want bij Sandy Island was het minstens zo mooi en misschien wel mooier.

Na de Cays namen we afscheid van Boris en de Misty Moon. Hij moest terug naar Trinidad waar zijn boot voor een poosje op de kant wordt gestald terwijl hij in NL is, en wij gingen verder richting Martinique om een beetje hoogte te winnen voor onze terugreis naar Suriname. Voor de zeilers: bij E-SE wind op een koers van 155-160
° gaat die 650 mijl aan de wind zijn met na 120 mijl een stop in Barbados. We hopen natuurlijk op een winddraaiing naar E-NE en een klein knikje in de schoot.

Vorige      Volgende