Te gast op een houtconcessie in Boven-Suriname   Kijk op Google Earth 05.22.259N en 54.69.866W

           

We waren uitgenodigd door onze vriend Dennis Wortel om mee het bos in te gaan. Dennis woont in La Rencontre (de voormalige plantage naast Domburg), aan de rivier en met uitzicht op Miep en we mochten mee tijdens één van z’n maandelijkse vierdaagse bezoekjes aan zijn houtconcessie in het binnenland.
Dennis is een geboren ondernemer. Aanvankelijk was hij visser met verschillende boten en wat mannetjes in dienst, nu heeft hij een houtconcessie aan de Surinamerivier. Een eindje voorbij (“boven”) Carolina, dat nog per 4WD bereikbaar is, en het laatste stuk gingen we met de boot.
Oude liefde roest niet en als Dennis in het binnenland is grijpt hij zijn kans en vist ’s morgens en ’s avonds nog zo’n 75 kg aan pakoesi’s en pireng (piranha’s) bij elkaar. Verse vis uit het binnenland is zeker 3x zo duur als (ingevroren) zeevis, dus dat geeft een leuk extra zakcentje. Het net wordt uitgevierd richting een zandbank want daar, onder de begroeiing, zit de vis. Een paar klappen met de peddel en de vissen “rennen” naar dieper water – en eindigen in Dennis’ net. Zo simpel is het. Lijkt het. Want met de pirengvangst moet je goed weten wat je doet want die beesten (de grote wegen wel een kilo) zijn verschrikkelijk agressief! Dat wisten we al maar nu zagen we het met eigen ogen. Een enorm gespartel, en eenmaal aan boord zetten ze hun scherpe tanden in het eerste het beste wat ze tegenkomen: het potdeksel van de boot als ze jouzelf niet te pakken kunnen nemen, terwijl Dennis of Kenneth de knuppel heffen om ze een dodelijke mep te geven.

Een houtconcessie run je niet zomaar. Dennis heeft te maken met allerlei controlerende instanties aan wie hij geld moet afdragen: de inheemsen, die de “eigenaren” zijn van het bos en die $6 per kuub vangen. En de overheid, die nog eens $20 per kuub toucheert. Er komen dus regelmatig controleurs op de concessie, zowel gemachtigden van de gemeenschap als medewerkers van Bosbeheer. Allen gewapend met meetlint, labels en nietpistolen zodat er letterlijk geen boom ongemerkt de deur uitgaat. Bosbeheer is in Suriname een opmerkelijk serieuze zaak. De Stichting Bosbeheer ziet scherp toe op duurzaam kappen, wat natuurlijk heel wat regels oplevert.

Veel houtconcessies voeren de stammen ongezaagd af, maar ter plaatse zagen is economischer want het afval blijft in het bos. Bovendien pakt Dennis op deze manier ook de marge van de zaagmolen. Aan de andere kant is het bedrijfsmatig ingewikkelder en vergt het meer personeel en grotere investeringen.

De verplaatsbare zaagmolen van Dennis is een ingenieus apparaat dat stukken stam van 7 meter lengte aankan. Dennis heeft zeven mannen rondlopen. Drie regelen ter plekke het zagen: eentje zaagt de stammen op lengte, sleept ze aan en plaatst ze onder de zaag (met behulp van een bosbouwmachine) en twee mannen zagen het “blok” in planken in verschillende maten. De rest selecteert in het bos de juiste bomen en zaagt ze om. Makkelijker gezegd dan gedaan en zeker in de regentijd want dan verandert het opengekapte terrein in een ommezien in een enorme blubberzooi. Een wandeling met zo’n zware kettingzaag op je schouder, de bomen uitmeten (want je mag niet binnen een straal van 10 meter een andere boom kappen), omhalen, fatsoeneren, de stronken voorzien van een label dat correspondeert met dat op de stam, de stammen op een hoop leggen... Zwaar werk waar zwaar gereedschap voor nodig is. Niet alleen de dure zaagmachine maar ook twee zware bosbouwmachines die de stammen door de modder duwen en trekken.
De mannen zijn van alle markten thuis. Ze zijn beresterk, sjouwen de zwaarste lasten alsof het niets is en werken de hele dag in de felle zon. Ze zagen acht blokken per dag en sjouwen met hout, maar verrichten ook technische arbeid zoals reparatie en onderhoud (zo’n bosbouwmachine breng je niet even naar de stad voor een servicebeurt), banden van de bosbouwmachines verwisselen (anderhalve meter doorsnee), een bruggetje bouwen en bootonderhoud: boot op de kant (een bosbouwmachine als trekker), omkeren, breeuwen, enz. En tussendoor grijpen ze een van de jachtgeweren als zich een pingo (bosvarken) of een leguaan vertoont. Leguaan is erg gewild bij Javanen. Na het schot bleef zij in het gebladerte hangen (jaja: met eieren!) maar Stanley (Javaan dus) klom als een aap 20 meter naar boven en het arme dier ging meteen de pan in.

Voordat al dit werk kan worden uitgevoerd, is er eerst een stuk land opengekapt en zijn er paden gemaakt waarlangs de stammen kunnen worden afgevoerd, alles volgens door Stichting Bosbeheer uitgevaardigde regels. Toch lijkt de kaalslag enorm, al schijnt de schade na vijf jaar niet meer zichtbaar te zijn. Voorts is er een kamp gebouwd. Een kamp is een van houten palen gebouwde hut met een dekzeil eroverheen. Hier wonen de mannen tijdens het werk. Steeds drie weken, en dan mogen ze eventjes terug naar de stad. Er is natuurlijk geen openbaar vervoer in het oerwoud dus ook dit wordt door Dennis geregeld. En niet alleen de mensen moeten worden vervoerd, maar ook de aanvoer van alle materialen, onderdelen, brandstof (de zaagmachine verstookt 20 liter diesel per dag en wat te denken van die enorme bosbouwmachines), eten enz. Drinkwater zou een hele slok zijn, maar dat halen ze gewoon uit de rivier. Het gezaagde hout wordt afgevoerd met een gehuurd ponton.

We hebben wel meer kampjes gezien in het bos maar het kamp van Dennis steekt met kop en schouders boven alle andere uit. Er is zelfs een gastenverblijf, al sliepen wij in het hoofdkamp want de vloer van het logeerkamp was nog niet zo mooi aangestampt, en een prachtig toilet: een gat van 2,5 m diep met een schutting eromheen en een troon erbovenop; in de omgeving van Domburg zien we veelal minder fraaie exemplaren.
De mannen verbruiken veel energie dus er wordt drie keer per dag gekookt. En dan wel het volle-borden-plan. Ontbijt, lunch en diner bestaan uit rijst met vis (door Dennis gevangen) of kip (natuurlijk) en groente, alles op z’n Surinaams dus met een pikant sausje. Niks voor JW: die hield het ’s morgens liever op een zelf meegebrachte krentenbol.
Tijdens het werk maar ook daarbuiten is het saamhorigheidsgevoel groot. Omdat we met z’n allen in één ruimte leefden, konden we de sfeer goed proeven. Het gebabbel voor en tijdens het ontbijt (Surinaamse mannen kunnen verschrikkelijke kletskousen zijn; ze houden van “tori praten”), de grappen tijdens het werk, zingen (André Hazes komt regelmatig voorbij), en de bijnamen waarmee ze elkaar onderling aanspreken: Langa, Biga, Blaka, de laatste met genegenheid afgekort tot Blak. Echt Surinaams was het gevoel dat we kregen dat we echt welkom waren.

Hout is zelfs in Suriname duur (in het algemeen is een houten huis duurder dan een huis van steen) en dat begrijpen we nu ook als je hebt gezien hoeveel investeringen en arbeid er nodig zijn om een stapeltje planken te zagen en bij de consument af te leveren.
Kortom: ben je slim en handig en beschik je over een fors investeringskapitaal, dan valt er veel geld te verdienen in hout en kun je je ook pleziertjes permitteren die voor de gewone man onbereikbaar zijn. Dennis heeft bijvoorbeeld een voetbalvereniging; dat schijnt zo te horen in Suriname als je een big shot bent. Twee teams maar liefst: eerste klasse en veteranen... en JW mag ook meespelen...!!! Dus Dennis is niet alleen visser en bosbouwer, maar ook voorzitter, sponsor en voetbalcoach van zijn eigen ploeg: Arsenal.

Hij is er weer: de Surinaamse Taalrubriek.
We zagen het tijdens de renovatie van ons huis en ook nu weer: een Surinamer “maakt moeite”. Zeker als ie een boomkip in het vizier heeft. Een leguaan dus. Zoals bekend doen kippen het goed in Suriname en zo is een kaaiman... een waterkip. Die zagen we trouwens ook bij de houtconcessie van Dennis. Deze ligt zoals gezegd een eindje voorbij (“boven”) Carolina. Boven-Suriname is het zuidelijke deel van Suriname. Het lijkt onlogisch maar het heet zo omdat het bovenstrooms ligt.

              

       Vorige      Volgende