Van Grenada naar Martinique: stap in een andere wereld

    

Nadat de laatste klussen op Trinidad waren gedaan: epirb laten checken en voorzien van een nieuwe batterij, nieuwe gasflessen (van aluminium), accumonitor gerepareerd en nog wat spullen aangeschaft, zeilden we naar Grenada. Aan de wind met een knik in de schoot, en zoals gewoonlijk een bumpy ride vanwege de dwars inkomende stroom. Roberta was dan ook zeeziek (hoewel zonder kotsen), maar kanjer Rita bewees al vier zeebenen te hebben en at haar maaltijden onderweg met smaak op. Over eten gesproken, tonijn kost hier nog geen €4 per kilo dus dat staat regelmatig op ons aller menu. De poesjes, die met deze verwennerij natuurlijk volledig worden verpest, worden er compleet wild van te oordelen naar het gegrom tijdens het tonijnverslinden.
Grenada is een prachtig eiland en de hoofdstad St.George is buitengewoon kleurrijk. Uitbundigheid viert de boventoon; in hartelijkheid en ook in kleding, getuige het BH-busje dat we tegenkwamen. Helaas wordt ons verblijf in St.George steeds meer bemoeilijkt door de in aanbouw zijnde superjachthaven Port Louis waar we best een ligplaats zouden kunnen krijgen, maar ja, beetje duur. De jachtclub is bovendien veel gezelliger, maar dat vindt iedereen dus nu moet je weken van tevoren reserveren. Ankeren in de vaargeul tussen de club en Port Louis wordt toegestaan door de club, maar niet door de andere kant die ons na enkele dagen wegstuurde. Een nachtje “buiten” voor anker beviel absoluut niet vanwege deining, maar gelukkig had P inmiddels de juiste contacten bij de club en kregen we alsnog een plek.
Wij zijn dus niet helemaal blij met Port Louis, maar de locals denken daar anders over. Die zien dat het water in de Lagoon eindelijk een beetje schoon is, dat wrakken en schroot van de laatste orkanen na jaren zijn opgeruimd, en het geeft werkgelegenheid. In de bouw en in het runnen van het project; laten we hopen dat de locals hier ook kansen in het management krijgen (want dat ontbreekt er meestal aan).

Op Grenada hebben we een week lang feestgevierd, voornamelijk met Richard, een deliveryschipper die we al langer kennen en die ons meetroonde naar coole hang-outs zoals de Lazy Lagoon en de Horny Baboon. Onze laatste avond werd in de jachtclub opgeluisterd met live muziek. De bar is een perfecte hang-out met uitzicht over de haven (en op Port Louis), het eten is er goed en goedkoop maar aan alles komt een eind en zo vertrokken we de volgende dag eindelijk naar Martinique.

De poesjes waren wat minder schattig onderweg. Ze steken overal hun neus in en in het geval van Rita haar poot; die raakte bekneld in een lier, miAUWWWW! Gelukkig krijste ze op tijd en kwam ze met de schrik vrij. Ook kregen we te maken met de machtsstrijd “wie is de baas aan boord”. De katten mogen veel, maar aan dek bij nacht tijdens manoeuvres, grootzeil strijken enz is verboden. Dus luiken dicht. Daarover was koningin Rita zo verbolgen dat ze het nodig vond een enorme stinkende drol in ons bed te deponeren. We hebben daarna natuurlijk wel duidelijk gemaakt wie hier nu echt de baas in huis is!

Op Martinique betraden we een andere wereld. In Marin troffen we een Club Med resort, mastenbossen all-over en rijen en rijen huurboten. Een marina-village met bijbehorende chandlers, eet- en drinktentjes, autoverhuurbedrijven en souvenirwinkels vol kleurige pareo’s en andere hebbedingen. Het zuidoosten van Martinique is een enorm zeilcentrum, overigens smaakvol vormgegeven door alle nieuwbouw. Maar het oude centrum is een schilderachtige plek waar niets is gebeurd en ook niets zal gebeuren. De creolen hangen rond op het strand, maken een praatje en we voelden ons meteen thuis. Ook hier kun je dineren, maar dan op het zand op stapelstoeltjes en niet met een torentje van x op een bedje van x en geserveerd met een puree van x. Gewoon pittig gemarineerde vis van de bbq, voor een redelijke prijs en met een glimlach opgediend.
Maar de andere wereld went snel en na een dag waren we na vijf jaar weer als vissen in het water in die waanzinnige supermarkten vol camembert, roquefort, gezouten boter, eendenlever, bospaddestoelen, koekjes, taartjes en alle andere delicatessen die ons hartje begeerde terwijl het dat even was vergeten.

Formaliteiten zijn hier prettig geregeld. Inklaren is een fluitje van een cent (een van de voordelen van die andere wereld), een do-it-yourself-job op de computer: on line formulier invullen, uitprinten en klaar is kees. Eindelijk eens géén vier formulieren met elk drie carbonvelletjes en hard drukken met je balpen. Maar terug op de boot kwam de buitenploeg onmiddellijk langszij en getriggerd door ons antwoord op de standaard vraag waar we vandaan kwamen: Grenada – Trinidad – Suriname... Wat?! Suriname?! drugsland! werden we toch even compleet gevisiteerd (wel veel wijn meneer) en liefst hadden ze ook de watertank van binnen bezocht; maar gelukkig zagen ze ook hoeveel last dat zou veroorzaken met die vastgekitte deksels en misschien leken we toch niet die doorgewinterde drugssmokkelaars waar ze naar op zoek waren, dus allez.

We huurden een autootje en kwamen zeer onder de indruk van magnifiek Martinique. Suriname blijft #1, maar we zouden hier best kunnen wonen als we rijk genoeg waren, want het leven op de Franse Antillen is 1,4x zo duur als in Frankrijk. Martinique is minder ruig dan bijvoorbeeld St.Vincent en is misschien deels daardoor, maar natuurlijk vooral door de Franse financiële inbreng vrijwel geheel in cultuur gebracht. Wat we niet wisten is dat het eiland beroemd is om z’n bananen en de oostkant is een aaneenschakeling van bananenplantages. Er is zelfs een bananenmuseum! Verder is de rum hier van oudsher belangrijk en er wordt nog steeds op authentieke wijze rum geproduceerd uit suikerriet. En de visserij natuurlijk; lokale vissers halen de mooiste en lekkerste vissen uit de oceaan.

Gewend als wij zijn aan wegen vol gaten en kuilen, is de Frans aandoende infrastructuur voor ons pure verwennerij. In de bergachtige delen waanden we ons in de Dordogne (alleen is de vegetatie een beetje anders), en het lieflijke zuiden deed denken aan de glooiende Auvergne. Kleur is overal: de authentieke vissersboten zijn fleurig geschilderd en het eiland is overdekt met een zee van bloemen, mooi afstekend bij de turquoise zee met z’n witte schuimkoppen.

De hoofdstad Fort de France wordt uiteraard gekenmerkt door het historische fort, maar ook door een kakofonie van bouwstijlen plus aan de waterkant een enorm betonplaveisel waar JW een paar jaar geleden nog gezellige terrasjes en bric-à-brac winkeltjes aantrof. Veel aantrekkelijker vonden wij St.Pierre in het noorden, de economische hoofdstad van de Franse eilanden tot deze in 1902 in puin werd gelegd door een vulkaanuitbarsting; al is er van elk gebouw wel minstens een muur bewaard gebleven en de gerestaureerde historische gebouwen verlenen de plaats de bijzondere sfeer waaraan het zijn bijnaam heeft te danken: le Petit Paris des antilles caribes.
Het noorden wordt overheerst door vulkanen en de stranden zijn er zwart. De aardscheur hier in de buurt is nog steeds in beweging. Dat wisten we al want twee jaar geleden trilde in Suriname het dak ongeveer van ons huis door een aardschok in de buurt van Martinique. St.Pierre dat onder de rook ligt van een grote vulkaan is de toepasselijke lokatie voor het vulkaan- en aardbevingenmuseum (Le Centre de Découverte des Sciences de la Terre) dat we morgen gaan bezoeken. En dan naar Dominica.

       Vorige      Volgende