Onbedorven Dominica

     

Op Dominica kun je elke dag van het jaar een andere rivier bevaren. Wij kozen de beroemdste en bovendien dichtstbijzijnde: de Indian River. Door de uitgebreide wortelformaties beroemd om de sprookjesachtige sfeer en daarom gebruikt als decor in een heksenscène in een Pirates of the Caribbean film. Natuurlijk kennen we dit type landschap wel uit Suriname, maar zo’n groot levend schilderij van Anton Pieck hadden we nog niet gezien. Boatboy Fire was onze gids en deed bovendien al het roeiwerk, want buitenboordmotoren zijn er verboden. Het grote voordeel is dat je overal vogeltjes hoort en ziet, en Fire deed zijn uiterste best om ons eens even flink bij te spijkeren als tropische vogelaars.

Op Dominica rijden ze links en de wegen zijn ongeveer net zo slecht als in Suriname, dus voor de rondrit was P weer aan de beurt als chauffeur. We huurden een Suzuki jeepje en doorkruisten daarmee de zuidelijke helft van het eiland. Daar bevinden zich toeristische attracties zoals de Trafalgar Falls en de Sulphur Springs, waar het rivierwater op kookpunt is en elke paar seconden opborrelt (neus dicht). Gelukkig waren we vroeg want de terugweg was bezaaid met taxibusjes die het eiland speciaal voor het zeecruise-toerisme rijk is. Hieruit kwamen hordes hijgende en puffende cruise-passagiers, herkenbaar aan de vlezige benen, hoog opgetrokken sokken boven hagelnieuwe sneeuwwitte of zilveren sportschoenen, pafferige rooie koppen en zware buiken. Levensgevaarlijk, zo’n cruise.
Maar ondanks dit cruisetoerisme is Dominica nog behoorlijk onbedorven. Zoals in een van onze zeilpilots staat: the island Columbus would recognize.
De meeste Caribische eilanden hebben één vulkaan of ten hoogste twee, Dominica heeft er zes. Omgeven door kleinere en grotere bergen die zich als puisten verheffen uit de aardkorst. De vegetatie is mals groen, veel lichter dan in Suriname want het regenwoud is hier nog niet half zo hoog, en met eindeloos veel kleurschakeringen.

Dat er maar 71.000 mensen op Dominica wonen, kunnen we ons nu wel voorstellen want je kunt er urenlang rondrijden zonder een mens tegen te komen. In het zuiden zijn de bergen gemeen steil en als we al vonden dat de klim heftig was, gaf de kaart aan dat er een eindje verder een “steep road” zou zijn. Soms als we een dal (zeg maar: kloof) binnenreden, verwonderden we ons over de muur die de uitgang zou moeten bevatten. Kortom, een avontuurlijke rit. Mede doordat de banden van ons jeepje maar weinig profiel hadden.

Inmiddels waren Chantal en André gearriveerd, Fransen die we kennen uit onze tijd op de Canaries (2005). Omdat Dominica zeer de moeite waard is – onbedorven natuur – huurden we samen met hen een gids met busje die ons het noordoostelijke deel van het eiland liet zien. In het kustgebied aan de Atlantische kant (mooie uitzichten) wonen de Carib-indianen, die net als in Suriname nogal op zichzelf zijn. Dus als toerist in je uppie is het nogal ontoegankelijk. Buddha (de rastanaam van onze gids) bleek tussen indianen te zijn opgegroeid dus was de beste gids die je je kan indenken. Ook voor onze Franse vrienden, daar hij als zoon van een creoolse vader afkomstig van Guadeloupe ook nog eens vloeiend Frans sprak. Bovendien wist hij door zijn indiaanse afkomst enorm veel te vertellen over de medicinale werking van bomen en planten. Door onze Surinaamse achtergrond zijn we hiermee ook niet helemaal onbekend en zo konden we zelfs informatie uitwisselen. Tot zijn verbazing!
Ook hier gebruiken de indianen voor hun kunstnijverheid grondstoffen uit de natuur. We kochten een masker, gesneden uit de wortels van een varenboom. Het evenbeeld van onze vriend Roberto in Suriname, die ook Carib-indiaan is.

’s Middags bezochten we het natuurpark Morne Trois Pitons (Unesco World Heritage site) waar we heerlijk hebben gewandeld. Dit is typisch Caribisch tropisch regenwoud – bomen circa 15 meter hoog en dankzij de overvloedige regen volop begroeid met mossen, varens, orchideeën en andere parasietplanten met imposante bladeren. Natuurlijk namen we ook een bad in de Emerald Pool. Heerlijk fris.

Zoals overal in de Carieb maken de locals graag een praatje en niet alleen onderling (de man rechts is niet JW maar André). Aan het eind van de dag zitten ze lekker rustig op het strand tot de zon onder is. Maar de groene flits hebben we nog steeds niet gezien.

Nog even een klein misverstand rechtzetten. Jullie schijnen allemaal te denken dat het hier in de Carieb de zon altijd schijnt, lekker windje, rustige zee, turquoise ankerbaaien, de poesjes relaxen aan dek... maar niets van dat alles is altijd waar. Inderdaad vriest het hier niet en zelfs als het regent hoeven we niet meer aan te trekken dan een regenpak zoals in NL door fietsers wordt gedragen (onze Musto-pakken zijn allang overleden), maar het kan hier soms gemeen smerig weer zijn. Zelfs het kleine stukje van Dominica naar Iles des Saintes (onderdeel van de archipel van Guadeloupe), 20 mijltjes maar, en toch drie zware buien van 30-35 knopen wind, horizontale regen, een golf in de kuip, bah. En bij dit weer is ook hier de zee grijs in plaats van diepblauw, en wat is er romantisch aan een lieflijke turquoise ankerbaai terwijl er een zodanige deining staat dat de boot de hele nacht ligt te rollen en zelfs de poesjes geen oog dicht doen. Maar gelukkig is het meestal rozengeur en maneschijn. Dus jullie kunnen terecht jaloers op ons zijn.

De poesjes. Rita heeft haar jachtgebied uitgebreid en jaagt nu ook op zeeschildpadden, waarvan er hier plenty zijn. Zodra er eentje in de buurt van de boot de kop opsteekt, ligt ze in aanvalshouding plat op dek te trappelen met haar achterpoten, klaar voor de sprong... maar telkens net te laat om een natte vacht te halen.

       Vorige      Volgende